17 Apr 2026
|
2 min read
We spoelen onze leefomgeving door het putje en noemen het vooruitgang
J
Jan Veenstra
Auteur
We leven in een tijd waarin we trots zijn op onze medische vooruitgang. En terecht: pijn wordt bestreden, ziektes worden onderdrukt, levens worden verlengd. Maar we vertellen er een ongemakkelijke bijsluiter niet bij.
Want elke pil, elke crème, elk medicijn dat ons helpt, eindigt niet netjes in het verleden. Het eindigt in het riool. In het water. In het systeem dat ons leven draagt.
We hebben een maatschappij gebouwd die chemisch afhankelijk is geworden van zichzelf — en we hebben vergeten dat de natuur geen afvalverwerker is voor onze geneeskunde-industrie.
Wat eruit komt bij de zuivering is geen schoon water “zoals vroeger”. Het is water waar we steeds meer stoffen doorheen hebben gejaagd die daar nooit bedoeld waren. Niet in die hoeveelheden. Niet in die combinaties. Niet continu, jaar in jaar uit.
En ja, waterzuivering doet zijn werk. Maar het is niet ontworpen voor een farmaceutische cocktail van honderden actieve stoffen. We vragen een systeem dat ooit bedacht is voor afval en bacteriën om een chemisch laboratorium te worden. En we kijken weg als dat systeem begint te kraken — omdat de oplossing geld kost.
Dus bouwen we duurdere installaties. We verhogen belastingen. We schuiven het probleem vooruit. Maar we raken de kern niet.
De kern is simpel: wat we gebruiken, komt terug.
Niet als een directe ramp. Niet als een plotselinge klap. Maar als een langzaam optrekkende druk op het leven in onze rivieren, sloten en meren. Een stille verschuiving in ecosystemen die we niet eens volledig meten voordat we besluiten dat het “nog wel meevalt”.
Maar het valt niet mee. Het stapelt zich op.
En misschien is dat wel het meest gevaarlijke: dat het nooit één groot moment is waarop we schrikken. Het is een eindeloze reeks kleine normalisaties.
Meer medicijngebruik. Meer lozing. Meer zuivering. Meer kosten. Meer acceptatie.
Tot we op een dag moeten toegeven dat we een systeem hebben gebouwd dat onze eigen vooruitgang opvangt door de leefomgeving te belasten die die vooruitgang überhaupt mogelijk maakt.
De vraag is niet of we het kunnen zuiveren.
De vraag is waarom we blijven produceren en consumeren alsof zuivering een eindeloze vrijbrief is.
We hebben een maatschappij gebouwd die chemisch afhankelijk is geworden van zichzelf — en we hebben vergeten dat de natuur geen afvalverwerker is voor onze geneeskunde-industrie.
Wat eruit komt bij de zuivering is geen schoon water “zoals vroeger”. Het is water waar we steeds meer stoffen doorheen hebben gejaagd die daar nooit bedoeld waren. Niet in die hoeveelheden. Niet in die combinaties. Niet continu, jaar in jaar uit.
En ja, waterzuivering doet zijn werk. Maar het is niet ontworpen voor een farmaceutische cocktail van honderden actieve stoffen. We vragen een systeem dat ooit bedacht is voor afval en bacteriën om een chemisch laboratorium te worden. En we kijken weg als dat systeem begint te kraken — omdat de oplossing geld kost.
Dus bouwen we duurdere installaties. We verhogen belastingen. We schuiven het probleem vooruit. Maar we raken de kern niet.
De kern is simpel: wat we gebruiken, komt terug.
Niet als een directe ramp. Niet als een plotselinge klap. Maar als een langzaam optrekkende druk op het leven in onze rivieren, sloten en meren. Een stille verschuiving in ecosystemen die we niet eens volledig meten voordat we besluiten dat het “nog wel meevalt”.
Maar het valt niet mee. Het stapelt zich op.
En misschien is dat wel het meest gevaarlijke: dat het nooit één groot moment is waarop we schrikken. Het is een eindeloze reeks kleine normalisaties.
Meer medicijngebruik. Meer lozing. Meer zuivering. Meer kosten. Meer acceptatie.
Tot we op een dag moeten toegeven dat we een systeem hebben gebouwd dat onze eigen vooruitgang opvangt door de leefomgeving te belasten die die vooruitgang überhaupt mogelijk maakt.
De vraag is niet of we het kunnen zuiveren.
De vraag is waarom we blijven produceren en consumeren alsof zuivering een eindeloze vrijbrief is.